De foto kunt u hier in beeldvullend formaat bekijken:
http://zenobuurt.rotterdamsebeelden.nl/#!album-698-1

De Augustinusstraat in de Zenobuurt te Rotterdam-Lombardijen
is vernoemd naar Aurelius Augustinus (Latijn: Aurelius Augustinus Hipponensis),
ook wel Augustinus van Hippo of Sint-Augustinus genoemd, een kerkvader en
wijsgeer die leefde van 354-430.

Augustinus werd geboren en is gestorven in de toenmalige
gekerstende West-Romeinse provincie Africa, tegenwoordig noordoost Algerije en
noord-Tunesië in de Aures-gebergten genoemd. Hij werd geboren in het
provinciestadje Thagaste (het tegenwoordige Souk-Ahras) als zoon van Romeinse
en Fenicische ouders[1]. Hij identificeerde zich voornamelijk als een Fenicier,
die Latijn sprak[2]. Ook identificeerde hij zich met de oude Libiërs. Zijn
ouders waren de raadsheer Patricius en Monica, een vrome christelijke vrouw.
Hij overleed in Hippo Regius (het tegenwoordige Annaba), waar hij van 396 tot
zijn dood bisschop was.

Zijn ouders hadden het financieel niet breed, maar trachtten
desondanks hem de beste opvoeding van die tijd te geven. Augustinus genoot
lager en voorbereidend hoger onderwijs in Thagaste en Madaura. Na de vroege
dood van zijn vader liet moeder Monica (financieel gesteund door anderen) hem
studeren. In 375, op 21-jarige leeftijd, werd hij leraar in zijn
geboorteplaats, en het jaar daarop vestigde hij zich in Carthago als leraar in
deretorica. Vermoedelijk in 383 verhuisde hij naar Rome, waarna hij in 384 tot
retor aan het hof in Milaan werd benoemd.

In 386 bekeerde hij zich tot het christendom. Hij werd met
Pasen in 387 door Ambrosius, de bisschop van Milaan, gedoopt. Hierna keerde hij
terug naar zijn geboorteplaats in Africa, tijdens welke reis zijn moeder Monica
inOstia overleed. Na zich in Thagaste een paar jaar in stilte met bijbelstudie
te hebben beziggehouden, werd Augustinus in 391 half tegen zijn wil tot
priester gewijd en in 395 tot medebisschop (met het recht van opvolging van de
bisschop van Hippo Regius). Van 396 tot zijn dood in 430 was hij bisschop van
de Kerk van Hippo Regius. Ook in die functie bleef hij een sober kloosterleven
leiden in zijn bisschoppelijke woning. Augustinus stierf in 430 tijdens het
beleg van en vlak voor de inname van Hippo door de Vandalen. Volgens de
overlevering moedigde hij de bewoners van Hippo aan om zich te verzetten tegen
de Vandalen, vooral omdat de Vandalen een ariaanse variant van het christendom
aanhingen, die Augustinus als ketters beschouwde.

Tot verdriet van zijn moeder Monica leidde Augustinus
tijdens zijn jonge jaren aanvankelijk een in christelijke ogen losbandig leven.
Met 17 jaar begon Augustinus een relatie met een jong meisje.[3] In 372 kregen
ze een zoon, Adeodatus (“gegeven door God”). Augustinus vermeldde dit
in zijn Belijdenissen (9, 6,14). Ze zouden 13 jaar samenleven. Na kennismaking
met het werk van de Romeinse filosoof Cicero besloot hij filosofie te studeren
op zoek naar de waarheid, met name over een zuiver Godsbegrip in relatie tot de
oorsprong van het kwaad. Aanvankelijk meende hij deze waarheid te vinden in het
manicheïsme. Deze syncretistische (en na zijn bekering door Augustinus heftig als
ketters bestreden) stroming ging uit van de rationele dualistische gedachte dat
er naast God als het hoogste Goed een afzonderlijke entiteit Kwaad bestaat.
Zodoende kon God de Schepper niet als oorsprong van het Kwaad en de zonde
worden beschouwd (het probleem van de theodicee). Goed en Kwaad strijden als
gelijkwaardige partijen tegen elkaar. Vanaf 376 was Augustinus gedurende tien
jaar lid van de gemeenschap van de manicheeërs. Onder invloed van de Griekse
filosofie keerde hij zich af van het manicheïsme. In het neoplatonisme, met
name bij Plotinus vond hij een beter antwoord op de vraag waar het kwaad
vandaan komt. Het kwaad was, zo zag Augustinus het toen, een beroving van het
goede; geen opzichzelfstaande entiteit, maar de verkeerdheid van de menselijke
wil die zich van God heeft afgewend. Zijn bekering tot het christendom
geschiedde niet op basis van rationele inzichten, maar door een persoonlijke
crisis.

In Milaan hoorde Augustinus eens bisschop Ambrosius preken
en raakte daardoor geboeid. Deze nam zijn intellectuele bezwaren tegen de
Bijbel weg. Maar door het christelijk geloof in het hart geraakt werd hij pas
later. Augustinus beschreef zijn bekering in zijn autobiografische Confessiones
(Belijdenissen). Tijdens een geestelijke crisis in 386, op 32-jarige leeftijd,
ging hij languit liggen onder een vijgenboom in de tuin van zijn woning in
Milaan. Hij praatte wanhopig tegen God;

“… wel niet met deze woorden, met wel in deze geest:
‘En gij, Heer, hoe lang nog? Hoe lang nog, Heer, zult gij steeds maar vertoornd
zijn? Wees onze oude ongerechtigheden niet indachtig!’ Want door die oude
ongerechtigheden – dat merkte ik – werd ik vastgehouden. En ik stiet maar
klaaglijke woorden uit: ‘Hoe lang nog, hoe lang nog, dat “morgen” en
weer “morgen”? Waarom niet meteen? Waarom niet op dit moment een eind
aan mijn verfoeilijkheid? Dat zei ik maar en ik schreide maar in bittere
vermorzeling van mijn hart.

En ineens, daar hoor ik een stem uit een naburig huis, een
stem die zingende zei en steeds weer herhaalde, een stem als van een jongetje
of van een meisje, ik weet het niet: “‘Tolle, lege! Tolle lege!’ (‘Neem en
lees!’) En meteen veranderde mijn gezicht en begon ik ingespannen na te denken
of kinderen bij een of ander spelletje iets van dien aard zingen; het wilde me
niet te binnen schieten dat ik het ooit ergens had gehoord. Toen bedwong ik de
heftige stroom van mijn tranen en stond op: de enige verklaring die ik kon
geven was deze, dat ik van Godswege bevel kreeg om het boek te openen en de
eerste passage waar mijn oog op viel te lezen.” (Belijdenissen, 8, XII,
29)

Snel ging Augustinus terug naar de plek waar hij een
Bijbelboek had neergelegd,

“toen ik was opgestaan en weggegaan. Ik pakte het, deed
het open en las zwijgend de passage waar mijn ogen het eerst op vielen: ‘Niet
in brasserij en dronkenschap, niet in slaapkamers en oneerbaarheden, niet in
twist en na-ijver, maar trekt de Heer Jezus Christus aan en vertroetelt niet
het vlees in begeerlijkheid.’ “

Deze woorden troffen Augustinus. (In een moderne vertaling
luidt het gedeelte aldus: We moeten ons behoorlijk gedragen alsof het al
helemaal dag is. Dus geen zwelgpartijen en drinkgelagen, geen ontucht en
losbandigheden, geen onenigheid en afgunst. Nee, we moeten ons als het ware
wapenen met de Heer Jezus Christus en niet ons zondige ik koesteren dat tot
allerlei begeerten aanzet. (Romeinen 13,13-14 – Groot Nieuws vertaling))

“Verder lezen wilde ik niet en het was ook niet nodig.
Want meteen, bij het eind van deze zin, stroomde er als een licht zekerheid in
mijn hart binnen en vluchtte al de duisternis van mijn weifelen en twijfelen
heen,” vervolgde Augustinus.

Als priester en bisschop werd Augustinus een gerenommeerd
predikant. Er zijn bijna zeshonderd preken van hem overgeleverd, naar schatting
10% van het totale aantal preken dat hij heeft gehouden. Een deel van zijn
predikend leven besteedde hij aan de bestrijding van de aanhangers van met name
de andersdenkende (ketterse) stromingen van het manicheïsme, het donatisme en
het pelagianisme, maar vooral was hij pastoraal bewogen en bezorgd om het
welzijn van de mensen die aan zijn zorg als bisschop waren toevertrouwd.

Bronnen: Stadsarchief Rotterdam en Wikipedia